FOESSA, de Spaanse onderzoeksinstelling die zich richt op sociale structuren en maatschappelijke ontwikkelingen, presenteerde vandaag een alarmerend nieuw rapport. Daaruit blijkt dat armoede en sociale uitsluiting opnieuw toenemen in Spanje. Bijna één op de tien Spanjaarden behoort inmiddels tot de groep die het meest onder sociale uitsluiting lijdt.
Het rapport, dat dit jaar voor de negende keer verschijnt, schetst een zorgwekkend beeld. Onderzoekers zien een duidelijke toename van armoede en sociale uitsluiting. De sociale fragmentatie groeit en bevolkingsgroepen kunnen minder op elkaar terugvallen. Tegelijkertijd krimpt de middenklasse door precaire arbeid en een woningmarkt die voor veel gezinnen nauwelijks nog betaalbaar is. Die ontwikkeling legt grote druk op de sociale structuur van het land.
Volgens FOESSA valt nog maar 45% van de bevolking onder volledige sociale integratie. Dat is bijna 3,5 procentpunt minder dan in 2018. Wie die positie verliest, schuift vooral door naar precaire integratie of gematigde uitsluiting. De zwaarste vorm daarvan treft 8,8% van de bevolking, goed voor ruim 4,3 miljoen mensen.
Sociale fragmentatie
Een van de meest opvallende trends in het rapport is de toenemende sociale verdeeldheid. Sociale netwerken brokkelen af en mensen kunnen minder terugvallen op familie, vrienden of buurtgemeenschappen. Daardoor valt het vangnet weg en kunnen woon- of levenssituaties sneller verslechteren of escaleren en ligt armoede op de loer. Mensen met een migratieachtergrond en gezinnen met een vrouw als kostwinner worden aangemerkt als extra kwetsbaar.
Tegelijkertijd komen steeds meer huishoudens economisch in de knel. Veel Spanjaarden hebben te maken met een onzekere arbeidssituatie, geen vast contract en wisselende werkuren en inkomens. De toch al lastige woningmarkt wordt daarmee nog minder toegankelijk en de druk op huishoudens neemt verder toe.
De cijfers onderstrepen dat beeld. Zo kampt 11,6% van de Spaanse gezinnen met voedselonzekerheid, en kinderen en jongeren vormen een opvallend groot deel van de mensen die in sociale uitsluiting verkeren. Omdat stabiliteit en betaalbare huisvesting niet langer vanzelfsprekend zijn, komt ook de middenklasse steeds verder onder druk. Waar deze groep in de jaren negentig nog bijna 60% van de bevolking vormde, is dat nu gedaald tot 43%.
Hoge woonlasten vergroten ongelijkheid
De woningmarkt speelt ook een allesbepalende rol in de toename van de ongelijkheid. Volgens FOESSA verandert het beeld ingrijpend zodra je niet alleen naar het inkomen kijkt, maar ook naar wat mensen kwijt zijn aan huur of hypotheek. Als die woonlasten worden meegerekend, schuift bijna 40% van de bevolking naar de lage-inkomensgroep. Vooral jongeren besteden een groot deel van hun inkomen aan huisvesting, waardoor sparen, vooruitkomen in het leven of op eigen benen staan steeds moeilijker wordt. Opvallend is dat dit effect in veel officiële statistieken nauwelijks zichtbaar is, omdat die vooral naar inkomen kijken en niet naar de hoge uitgaven waar gezinnen mee te maken hebben.
Inkomensongelijkheid binnen de EU
Spanje behoort al jaren tot een van de Europese landen met de hoogste inkomensongelijkheid. Dat is opvallend omdat de economie de afgelopen vijftig jaar wel sterk is gegroeid. Die groei heeft zich echter maar amper vertaald in een eerlijkere inkomensverdeling. Binnen de EU doen alleen Bulgarije, Roemenië en de Baltische staten het nog slechter dan Spanje.
Inkomensongelijkheid Spanje tot niveau van 2008 gereduceerd
De ontwikkeling door de jaren heen laat zien waarom de ongelijkheid in Spanje zo hardnekkig is. In de jaren tachtig bracht de uitbreiding van de verzorgingsstaat nog duidelijk verbetering, maar vanaf de jaren negentig stokte die vooruitgang. Ondanks een langdurige periode van economische groei veranderde er nauwelijks iets aan de kloof tussen hoge en lage inkomens. De financiële crisis van 2007 tot 2015 vergrootte de verschillen zelfs, vooral onder mensen die al weinig hadden. Pas na 2015 trad er wat herstel op, dankzij meer banen en hogere sociale uitgaven. Dat verandert volgens het rapport van FOESSA echter niets aan de kern: zonder gericht herverdelend beleid blijft de inkomensongelijkheid in Spanje structureel hoog.
Grote regionale verschillen
Het rapport onderzocht ook de verschillen per autonome regio. Die blijken groot en laten zien dat armoede en sociale uitsluiting niet gelijk over het land verdeeld zijn. Vooral het zuiden van Spanje scoort slecht. De hoogste risico’s worden gemeten in de Spaanse enclaves in Marokko: in Melilla leeft 31,3% van de bevolking in risico op sociale uitsluiting, gevolgd door Ceuta met 29,5%. Ook de Canarische Eilanden komen hoog uit, met 25,5%.
Op het vasteland is Andalusië de regio waar de situatie het meest zorgelijk is, met 23,1%. In verschillende oostelijke en zuidoostelijke regio’s, zoals Valencia, Murcia en Castilië-La Mancha, liggen de percentages eveneens boven de 20%.
Meer naar het centrum van het land dalen de cijfers. Madrid ligt met 19,6% al onder het landelijk gemiddelde. In het noorden zijn de risico’s het laagst. Galicië, Navarra en Castilië y León behoren tot de regio’s met de gunstigste waarden.
Het Baskenland sluit de lijst af met 11,8%, het laagste percentage van heel Spanje. De noordelijke regio’s profiteren van stabielere arbeidsmarkten, lagere woonlasten, iets wat volgens Foessa bijdraagt aan een lagere mate van sociale uitsluiting.