Het vergeten ambacht van Spanje: de laatste esparteros

door Judith Goeree
Een Espartero in Spanje maakt onder andere schoenen van het espartogras

Wie door het droge binnenland van Spanje reist, ziet ze overal: harde pollen grijsgroen gras op dorre heuvels en vlaktes. Voor de meeste mensen is het niet meer dan een onderdeel van het landschap. Maar eeuwenlang was deze plant, esparto, de basis van een belangrijk Spaans ambacht.

In het kort

  • Esparto is een taaie grassoort die groeit in droge delen van Spanje.
  • Van de vezels maakten ambachtslieden manden, touwen, matten en schoenen.
  • Het ambacht van de espartero kende zijn hoogtepunt in de jaren 40 en 50.
  • Door plastic en massaproductie verdween het beroep bijna volledig.
  • In enkele Spaanse dorpen houden ambachtslieden de traditie nog in stand.

Alles voor op het platteland

Van de taaie vezels van het gras maakten vaklieden alles wat een plattelandsleven nodig had: manden, touwen, matten en draagzakken voor muilezels. De ambachtsman die het materiaal verwerkte staat bekend als de espartero. Vandaag de dag is dat beroep zeldzaam geworden.

Van veld tot vezel

Het werk van een espartero begint in de natuur. Espartogras groeit in droge, stenige gebieden waar weinig andere planten overleven, vooral in regio’s als Castilla-La Mancha, Murcia en Andalusië.

Traditioneel trokken ambachtslieden zelf het veld in om het gras te oogsten. In tijden dat de sector op volle kracht draaide, gebeurde dat vaak door speciale verzamelaars: de atocheros, genoemd naar de plant atocha.

Na de oogst volgt een lang bewerkingsproces. Eerst worden de bladeren geselecteerd en op de grond uitgespreid om te drogen. Zodra het gras geel kleurt, wordt het dertig tot veertig dagen in water gelegd om de vezels soepel te maken.

Daarna slaan ambachtslieden het materiaal met houten hamers. Door deze bewerking breekt de harde structuur van de plant open en ontstaan vezels die geschikt zijn om te vlechten.

Van kaasvorm tot muilezelmand

Tot ver in de twintigste eeuw waren espartoproducten overal in Spanje te vinden.

Enkele bekende voorbeelden zijn:

  • cinchos – banden waarin kazen werden geperst
  • serones en esportones – manden voor transport op muilezels
  • esteras – vloermatten
  • capachos – filters die gebruikt werden bij de productie van olijfolie of wijn
  • cuerdas – sterke touwen voor landbouw en transport

Voor veel dorpen vormde dit ambacht een belangrijke bron van inkomsten.

Schoenen van esparto

Esparto werd niet alleen gebruikt voor manden en touwen. Er werd ook schoeisel van gemaakt. In verschillende regio’s van Spanje droegen boeren en herders sandalen of schoenen met zolen van espartovezels, een voorloper van de bekende espadrilles.

Een van de ambachtslieden die het vak nog beheerst is Pedro García, die het werk al als kind leerde. Tussen het hoeden van geitenkuddes door leerde hij hoe je de taaie vezels moet vlechten tot stevige zolen.

Volgens García is esparto een verrassend sterk materiaal. Het kost hem ongeveer twee dagen om een paar schoenen te maken, maar het resultaat gaat lang mee.

“Het is oersterk materiaal,” zegt hij. “Het is goed voor de doorbloeding van de voeten, en je kunt er uren de jota op dansen.”

Groot in de naoorlogse jaren

De sector kende zijn hoogtepunt in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw. In het Spanje van na de burgeroorlog waren goedkope en duurzame materialen hard nodig.

Esparto was zo belangrijk voor de economie dat de overheid een speciale dienst oprichtte: het Servicio Nacional del Esparto, dat de productie en handel van de vezels moest organiseren en controleren.

Een ambacht dat bijna verdween

Vanaf de jaren zestig veranderde het landschap snel. Kunststoffen en synthetische vezels waren goedkoper, sterker en eenvoudiger massaal te produceren.

Veel werkplaatsen sloten hun deuren en het ambacht raakte langzaam in de vergetelheid. De esparteros en de atocheros verdwenen bijna volledig uit het Spaanse platteland.

Vandaag zijn er nog slechts enkele tientallen vaklieden die het werk beheersen.

Dorpen waar het ambacht nog leeft

Toch is het vak niet helemaal verdwenen. In verschillende delen van Spanje werken nog ambachtslieden met esparto, vaak in kleine ateliers of werkplaatsen.

Een voorbeeld is Moral de Calatrava in de provincie Ciudad Real. Daar hielden verschillende esparteros het ambacht jarenlang in stand.

Voor de generatie van hun grootouders waren deze objecten dagelijkse gebruiksvoorwerpen. Tegenwoordig worden ze vaak vooral gekocht als decoratie of als herinnering aan een bijna verdwenen ambacht.

Nieuwe interesse in natuurlijke materialen

Toch krijgt esparto langzaam weer aandacht. In een tijd waarin duurzaamheid en natuurlijke materialen steeds belangrijker worden, ontdekken ontwerpers en ambachtsliefhebbers het materiaal opnieuw.

Het gras groeit zonder irrigatie, is volledig biologisch afbreekbaar en levert een sterke, duurzame vezel. Jonge ontwerpers verwerken esparto in meubels, mode en interieurontwerp. Zo krijgt het ambacht een onverwachte, moderne tweede adem.

De handen die een land vormden

In de ruwe, door de zon gebarsten handen van een espartero ligt een verhaal van generaties Spanjaarden. Het is het verhaal van een plant die een land vormde, van een ambacht dat generaties voedde, en van mensen die de taal van het landschap leerden spreken. Zolang er nog esparteros zijn, blijft dat verhaal voortleven.

Plaatsen waar de traditie voortleeft

In verschillende delen van Spanje zijn nog altijd kleine ateliers te vinden waar ambachtslieden met esparto werken. Het zijn vaak eenvoudige werkplaatsen waar eeuwenoude technieken nog met de hand worden uitgevoerd.

Zo heeft Cieza in de regio Murcia een lange geschiedenis met de esparto-industrie en is daar een museum gewijd aan de plant en het ambacht. In Crevillent (Alicante), ooit een belangrijk centrum van espartoverwerking, organiseren lokale verenigingen nog regelmatig demonstraties en workshops.

Ook in Andalusië en Castilla-La Mancha zijn nog ambachtslieden actief. In Úbeda (Jaén) combineren sommige ateliers traditionele technieken met modern design, terwijl in dorpen als Moral de Calatrava (Ciudad Real) het vak nog wordt getoond tijdens culturele evenementen en tentoonstellingen.

Wie zo’n plek bezoekt, kijkt niet alleen naar handwerk, maar naar een stukje Spaans cultureel erfgoed dat langzaam uit het landschap verdwijnt.