Hoe Spanje overstapte van peseta’s naar euro’s

Omrekenstress en nostalgie rond het verdwijnen van de oude Spaanse munt

door portret SAskia Plazier, inspanje.nl redacteurSaskia Plazier
Van peseta naar euro

Wie vroeger op vakantie ging in Spanje is de oude munteenheid vast nog niet vergeten. Al verschilde naam per regio in het uitgestrekte Spanje. In Catalonië sprak men van pesseta, in Baskenland van pezeta en in Aragón van peceta. Oftewel: de peseta. Meer dan een eeuw lang was de peseta de officiële munteenheid van Spanje. Daar kwam in 2002 een einde aan toen de euro zijn intrede deed in Europa.

In het kort

  • De peseta was meer dan een eeuw de officiële munteenheid van Spanje
  • De euro bracht omrekenstress en ludieke campagnes in Spanje
  • De bekende ‘todo a cien’-winkels en de 25 peseta met gat zijn inmiddels nostalgische symbolen uit de oude tijd
  • De euro bracht economische voordelen, maar ook prijsstijgingen en nieuwe uitdagingen

Hoewel de munt inmiddels al zeker twintig jaar niet meer in gebruik is, roept de peseta bij velen nog altijd nostalgische herinneringen op. De munt hoort nog bij het Spanje van vroeger: vakanties aan de Spaanse Costa’s, kleine buurtbarretjes, contant betalen en de ‘todo a cien’-winkels, waar bijna alles 100 peseta kostte.

Hoe zat het ook alweer?

De invoering van de euro was een historische stap in heel Europa. Op 1 januari 2002 werd de munt officieel ingevoerd als wettig betaalmiddel in twaalf Europese landen, waaronder Spanje en Nederland. Op 1 maart 2002 verdween de peseta daarna definitief uit het betalingsverkeer en bleef alleen de euro over als wettig betaalmiddel. Inmiddels gebruiken twintig landen in Europa de euro.

Het had overigens niet veel gescheeld of de nieuwe munt had helemaal geen euro geheten. Lange tijd stond de munt bekend als de ecu, de European Currency Unit. Tijdens een Europese top in Madrid in december 1995  besloten Europese leiders uiteindelijk dat de nieuwe gezamenlijke munt de naam ‘euro’ zou krijgen.

De peseta

De peseta was van 1868 tot 2002 het officiële betaalmiddel van Spanje en verschillende Spaanse overzeese gebieden. Zelfs in Equatoriaal-Guinea, in Afrika, kon met de peseta worden betaald.

Over de oorsprong van het woord peseta bestaan meerdere verklaringen. Volgens veel historici komt het woord van het Catalaanse peceta, een verkleinwoord van peça, wat ‘stuk’ of ‘muntstuk’ betekent. Vrij vertaald zou peseta dus iets betekenen als ‘klein muntje’.

De Real Academia Española houdt er nog een andere verklaring op na. Volgens het Spaanse taalinstituut is peseta afgeleid van het woord peso, vroeger de benaming voor Spaanse zilveren munten. Van datzelfde woord zijn later ook munteenheden als de peso ontstaan in verschillende Latijns-Amerikaanse landen, zoals Mexico en Argentinië.

Peseteros

De naam peseta dook overigens al eerder op in de Spaanse geschiedenis. Na de kroning van Isabella II van Spanje werden in 1836 en 1837 munten geslagen met het opschrift ‘1 peseta’.

Met die munten betaalde de regering van Isabella II van Spanje de troepen die tijdens de Eerste Carlistenoorlog aan haar zijde vochten. Zij namen het op tegen de troepen van Don Carlos María Isidro de Borbón, de oom van Isabella II, die eveneens aanspraak maakte op de Spaanse troon.

De soldaten kregen de bijnaam peseteros, verwijzend naar de munt waarmee ze betaald werden. Het woord kreeg later een negatieve bijklank en wordt in het Spaans nog altijd gebruikt voor iemand die erg op geld gericht is of iets vooral voor het geld doet.

Van peseta naar euro

De overgang van peseta naar euro hield Spanje maandenlang bezig. Het nieuws over de komst van de euro werd op de Spaanse televisie gebracht door niemand minder dan de huidige koningin Letizia van Spanje, toen nog nieuwslezeres.

Ook de campagne rond de nieuwe munt staat was ludiek. Op televisie verscheen eindeloos de zogenoemde familie García, een familie van kleipoppetjes die kijkers moest helpen wennen aan de euro. Met simpele rekensommen als “6 euro is 1000 peseta” en het aanstekelijke liedje “el euro es ya nuestra moneda y a todos nos va a beneficiar” (“de euro is nu onze munt en iedereen zal ervan profiteren”) probeerde de overheid de Spanjaarden te laten wennen aan de nieuwe munt.

YouTube player

Hoewel 1 januari een feestdag was, openden banken toch hun deuren. Bij geldautomaten ontstonden lange rijen van mensen die als eersten eurobiljetten wilden opnemen. Helemaal nieuw was de munt overigens niet meer. In december konden Spanjaarden, net zoals in Nederland, al een starterspakketje aanschaffen met euromunten ter waarde van ongeveer 12 euro, omgerekend zo’n 2.000 peseta.

Wat kostte vroeger 100 peseta?

Voor 100 peseta kon je vroeger verrassend veel doen in Spanje. Een koffietje op het terras kostte omgerekend vaak nog geen 60 cent. Inmiddels betaal je in grote steden als Barcelona met gemak drie of vier euro voor datzelfde bakje. Soms hield je van 100 peseta zelfs nog geld over voor een ijsje.

Ook de beroemde ‘todo a cien’-winkels horen bij die tijd. In deze goedkope winkels, een soort Spaanse voorloper van de Action of Zeeman, kostte bijna alles 100 peseta. Je vond er speelgoed, huishoudspullen, snoep en allerlei andere spullen. Na de komst van de euro maakten veel van deze winkels plaats voor de ‘todo a un euro’, al verdwenen die later ook weer grotendeels uit het straatbeeld.

Emblematische munten en biljetten

Op veel pesetamunten stonden Spaanse koningen of koninginnen afgebeeld. Spanje bracht door de jaren heen tientallen verschillende ontwerpen uit, waarvan sommige klassiekers werden. Zo was de munt van 1 peseta geliefd. Die kreeg de bijnaam la rubia (‘de blonde’), vanwege de goudkleurige legering en de afbeelding van een vrouw erop.

En dan zijn er nog de 25 en 50 pesetamunten met het gat in het midden. Nauwelijks een munt roept bij Spanjaarden zoveel nostalgie op als deze. Spanje gaf verschillende munten in de jaren negentig een opvallender ontwerp, zodat ze makkelijker uit elkaar te houden waren. Dat was ook nog eens handig als ze los in je broekzak zaten. De 25 peseta met gat verwees bovendien naar een eerdere Spaanse munt van 25 céntimos uit 1927; de allereerste Spaanse munt met een gat in het midden.

Werd alles duurder door de euro?

De komst van de euro zorgde in Spanje niet alleen voor enthousiasme. Al snel ontstond het gevoel dat alles duurder werd. Vooral het zogenoemde redondeo, het afronden van prijzen naar boven, zorgde voor frustratie.

Veel Spanjaarden kregen het idee dat 100 peseta ineens gelijk stond aan 1 euro, terwijl de officiële omrekenkoers eigenlijk 166,386 peseta per euro was. Volgens Spaanse media stegen de prijzen in 2002 uiteindelijk ongeveer twee keer harder dan vooraf was verwacht.

Wat de euro Spanje opleverde

De euro bracht Spanje economisch veel voordelen. De rente daalde flink, wisselkoersen verdwenen en investeringen namen toe. Volgens economen van de Banco de España lag de gemiddelde inflatie in Spanje vóór de euro jarenlang rond de 10 procent, terwijl die na de invoering van de euro gemiddeld rond de 2 procent uitkwam.

Ook hypotheken werden fors goedkoper. Waar de rente begin jaren negentig nog rond de 16 procent lag, daalde die later naar enkele procenten. Dat maakte lenen en huizen kopen jarenlang veel makkelijker, al droeg het uiteindelijk ook bij aan de Spaanse vastgoedzeepbel van de jaren 2000.

Al loste de euro niet alle economische problemen van Spanje op. De Spaanse economie bleef gevoelig voor schommelingen, mede door de grote afhankelijkheid van toerisme en de bouwsector. Dat werd vooral zichtbaar tijdens de financiële crisis van 2008, toen de Spaanse huizenmarkt instortte en de werkloosheid hard opliep. De economische groei betekende bovendien niet dat alle problemen verdwenen op de arbeidsmarkt.

Eén ding weten echter veel Spanjaarden, en Nederlanders trouwens ook, nog altijd uit hun hoofd: 1 euro was vroeger echt geen 100 peseta. Net zoals een gulden nooit simpelweg een euro werd.

Is je oude munt van 1 Spaanse peseta nu 33 miljoen keer zoveel waard?