Jarenlang stond het symbool voor Spanje’s waterellende: een moerasgebied dat langzaam doodbloedde door overexploitatie van het grondwater. De waterbekkens (tablazos) stonden droog en in 2009 ontbrandde zelfs spontaan de veengrond door aanhoudende droogte. Dit jaar is het beeld compleet omgeslagen. Nationaal park Las Tablas de Daimiel in Ciudad Real noteert het beste broedseizoen voor watervogels sinds het begin van de tellingen in 1980.
Het meest opvallende resultaat komt van de krooneend: tussen de 1.600 en 1.700 broedparen, het beste cijfer ooit gemeten. Parkdirecteur Carlos Ruiz de la Hermosa noemt het “een goed jaar voor broedvogels” en benadrukt dat het gaat om “conservatieve tellingen”. Want het park wordt in zeven sectoren opgedeeld en om verstoring te beperken, wordt elke sector maandelijks vanaf een boot geteld en wordt niet elk exemplaar meegeteld.
Bedreigde soorten profiteren mee
Ook verschillende bedreigde soorten laten opvallende cijfers zien. De lepelaar noteerde met 17 tot 20 paren en zo’n 30 kuikens het beste resultaat sinds de tellingen begonnen. Hetzelfde geldt voor de grote zilverreiger, met 75 tot 80 paren. De purperreiger verdubbelde ten opzichte van vorig jaar naar 100 tot 110 paren.
De witkopeend, een van de zeldzaamste eendensoorten van Europa, kwam uit op minstens 60 paren met 154 kuikens verspreid over 48 broedsels, het op één na beste resultaat sinds 1980. Ook de kleine geelvleugeltaling en het baardmannetje deden het opvallend goed: die laatste soort broedde voor het eerst in jaren weer in het park, met naar schatting 10 tot 12 paren en bevestigde aanwezigheid van jonge vogels.
Niet alles ging vooruit: de zwarthalsfuut en de witvleugelstern lieten dit jaar juist lagere aantallen zien dan vorig jaar, en de flamingo’s broedden dit seizoen helemaal niet, ondanks dat er zo’n honderd paren en 200 kuikens werden geteld.
Goede winter, maar geen structureel herstel
De verklaring voor het goede seizoen is vooral meteorologisch. Een uitzonderlijk natte winter zorgde voor genoeg oppervlaktewater om de centrale bekkens van het park onder water te zetten. Dat deed de waterplanten weer groeien waar de krooneend en andere soorten van afhankelijk zijn.
Experts willen wel waarschuwen voor te veel optimisme. Het water dat dit jaar het park vulde, kwam vooral uit regen en oppervlakkige aanvoer, niet uit het grondwater. De onderliggende watervoerende laag blijft na decennia agrarische overexploitatie uitgeput. Van deze acuífero 23 is het moerasgebied op de lange termijn afhankelijk. In april 2026 was het grondwaterpeil in de referentieput nog altijd zo’n 19 meter diep, en was slechts een halve meter gestegen. Met andere woorden: dit is het beste broedseizoen in meer dan veertig jaar, dankzij een gulle winter, maar het structurele herstel van het moerasgebied is er nog niet.