In de vroege ochtend worden ze aan land gebracht. Vermoeid, uitgedroogd en soms met niets meer dan een plastic tas. Op de kade van een van de Canarische Eilanden wachten hulpverleners met dekens en water. Het beeld is inmiddels vertrouwd: migranten die Europa proberen te bereiken via Spanje. In het politieke debat gaat het al snel over aantallen, grenzen en draagkracht. Toch is dit verhaal niet nieuw. Nog geen eeuw geleden was Spanje zelf namelijk een land waaruit honderdduizenden mensen wegvluchtten. Later vertrokken nog eens zoveel Spanjaarden uit economische noodzaak naar elders.
In de winter van 1939, aan het einde van de Spaanse Burgeroorlog, trokken honderdduizenden mensen in omgekeerde richting juist van Spanje vandaan. In wat bekendstaat als de Retirada staken naar schatting 450.000 republikeinen de Pyreneeën over, op de vlucht voor het oprukkende leger van Franco. Families, soldaten, kinderen, vaak te voet, in de kou en met weinig meer dan wat ze konden dragen.
Frankrijk raakte door de plotselinge toestroom snel overrompeld. Het land bracht velen onder in geïmproviseerde kampen langs de kust, zoals Argelès-sur-Mer. De omstandigheden waren erbarmelijk: gebrek aan voedsel, beschutting en medische zorg. In Franse kranten uit die tijd wordt gesproken over ‘een probleem’ dat beheerst moest worden, een uitspraak die anno 2026 opvallend herkenbaar is.
Voor veel van deze vluchtelingen was de oversteek geen tijdelijk intermezzo in hun leven. Duizenden zouden nooit terugkeren. Ze bouwden nieuwe levens op in Frankrijk, Mexico of Argentinië, landen die, ieder op hun manier, Spaanse ballingen opnamen.
Een land van emigranten
De exodus stopte niet na de burgeroorlog. Tijdens de bijna veertig jaar durende Franco-dictatuur bleven Spanjaarden uit hun land vertrekken. Soms om politieke redenen, maar steeds vaker ook uit economische noodzaak. Vooral Noord-Europa, Duitsland, Zwitserland, België, Nederland en Frankrijk hadden vanaf de jaren vijftig en zestig arbeidskrachten nodig. Dat trok miljoenen Spanjaarden aan. Zij werkten daar in fabrieken, mijnen en de bouw en werden ‘gastarbeiders’ genoemd. Want ze zouden tijdelijk zijn, zo was het idee. Uiteindelijk bleven velen jarenlang of zelfs definitief.
Anderen zochten hun geluk overzee, in Latijns-Amerika, waar ze de taal al spraken. Vooral Argentinië en Venezuela waren populaire bestemmingen. Hele dorpen, vooral in regio’s als Galicië, raakten gedeeltelijk ontvolkt; families leefden verspreid over continenten. Migratie was geen uitzondering, maar een structureel onderdeel van het Spaanse leven.
Migratie binnen de grenzen
Niet iedereen stak een grens over. Binnen Spanje zelf vond een minstens zo ingrijpende verplaatsing plaats. In de jaren vijftig tot zeventig trokken honderdduizenden mensen van het arme platteland in Andalusië en Extremadura naar de snel industrialiserende regio’s rond Barcelona, Madrid en het Baskenland.
Deze interne migranten werden niet altijd met open armen ontvangen. In Catalonië ontstond zelfs een term voor hen: charnegos, een vaak denigrerende benaming voor Spanjaarden van buiten de regio. Ze woonden in snel gebouwde buitenwijken, werkten in laagbetaalde banen en moesten hun plek bevechten in een samenleving die hen als “anders” zag. De parallellen met hedendaagse discussies over integratie zijn moeilijk te missen.
Van vertrek- naar aankomstland
Pas vanaf de jaren negentig kantelde het beeld. Met de economische groei en de integratie in de Europese Unie werd Spanje voor het eerst in zijn moderne geschiedenis een land van aankomst. Migranten uit Marokko, Latijns-Amerika en later Oost-Europa kwamen naar Spanje om te werken in de landbouw, bouw en zorg.
Binnen één generatie veranderde de richting van migratie volledig. Waar Spaanse families eerder afscheid namen op stations en havens, werden ze nu zelf onderdeel van een samenleving die nieuwkomers ontving.
Die snelle omslag verklaart deels de spanning in het huidige debat. Spanje heeft relatief weinig tijd gehad om zichzelf te erkennen als immigratieland. Tegelijkertijd is de eigen migratiegeschiedenis nog altijd dichtbij, vaak slechts één of twee generaties verwijderd.
Een ongemakkelijke spiegel
Terug op de kade van de Canarische Eilanden worden de nieuwkomers geregistreerd en opgevangen. Vrijwilligers van het Rode Kruis en andere hulporganisaties delen dekens uit, ambtenaren noteren namen. Het zijn praktische handelingen, maar ze maken deel uit van een groter verhaal. Een verhaal dat Spanje eerder zelf heeft beleefd, zij het in een andere richting.
Al gaat het om verre van identieke situaties, maar een ding maakt de geschiedenis wel duidelijk: het is geen nieuw of extern probleem. Spanje was lange tijd zelf een land van vluchtelingen en migranten, over grenzen heen, en binnen de eigen grenzen. Vertrekken, zoeken en opnieuw beginnen vormen door de geschiedenis heen ook in de Spaanse geschiedenis geen uitzonderingen, maar constante elementen.
Europese migratie- en asielpact
Afgelopen week kreeg het migratiedebat een nieuwe laag: op 12 juni ging in de hele Europese Unie het Europese migratie- en asielpact van kracht. Een pakket met afspraken dat strengere controles aan de buitengrenzen, snellere procedures en een “eerlijkere” verdeling van asielzoekers over de lidstaten moet opleveren. Waar migratie wordt hiermee in detail op Europees niveau gereguleerd. Zo proberen staten continu migratie te beheersen, terwijl mensen blijven bewegen, uit oorlog, armoede of hoop op een beter leven.