Spanje is voor het derde jaar op rij de snelst groeiende grote economie van de eurozone. Nobelprijswinnaar economie Christopher Pissarides zei onlangs tijdens het congres El mundo que viene in Zaragoza dat Spanje economisch gezien veel dingen goed doet en beter presteert dan veel Europese landen. Wel wees hij op de hardnekkig hoge jeugdwerkloosheid.
In het kort
- Spanje is voor het derde jaar op rij de snelst groeiende grote economie van de eurozone.
- Meer dan de helft van de Spanjaarden vindt dat het economisch slechter gaat dan vóór de coronapandemie.
- De groei komt vooral door meer inwoners en meer werkenden, niet door hogere productiviteit.
- Huiseigenaren en toerismebedrijven profiteren het meest; huurders en starters het minst.
- Of Sánchez de groeicijfers politiek kan verzilveren, is onzeker — ook door schandalen rond zijn regering.
Toch is het wantrouwen onder de eigen bevolking groot. Meer dan de helft van de Spanjaarden vindt dat het slechter met hen gaat dan vóór de coronapandemie. Die tegenstelling tussen lof van een gerenommeerd buitenlands econoom en onvrede van binnenuit is misschien wel het meest opvallende kenmerk van de Spaanse economie anno 2026.
Een groeicijfer waar Europa jaloers op is
De Spaanse economie groeide vorig jaar met 2,8 procent, terwijl de eurozone als geheel op 1,5 procent bleef steken. In het eerste kwartaal van dit jaar kwam daar nog eens 0,6 procent bij, wat neerkomt op een jaargroei van 2,7 procent. Daarmee blijft Spanje ruim voor op Duitsland, Frankrijk en Italië.
De Spaanse onderzoeksinstelling Funcas verwacht dat de groei dit jaar uitkomt op zo’n 2,2 tot 2,4 procent, een lichte afzwakking ten opzichte van vorig jaar maar nog altijd stevig boven het Europese gemiddelde.
De motor achter die groei is vooral de binnenlandse vraag: huishoudens geven meer uit, de werkgelegenheid groeit en de werkloosheid daalt richting de 9,6 procent. Ook de bevolkingsgroei door immigratie speelt een belangrijke rol. Nieuwe werknemers vullen tekorten op in de zorg, de horeca en de bouw, sectoren waar werkgevers al jaren moeite hebben om personeel te vinden.
Waarom de cijfers niet aankomen bij de mensen
Toch is het beeld van een onverdeeld succesverhaal misleidend. Onderzoek van Funcas uit 2025 laat zien dat meer dan de helft van de Spanjaarden vindt dat hun economische situatie slechter is dan voor de coronacrisis. Slechts ongeveer een vijfde ervaart een verbetering in de eigen portemonnee.
De verklaring zit grotendeels in de woningmarkt en de inflatie. Terwijl de eurozone gemiddeld op een inflatie van ruim 2 procent zit, lag die in Spanje het afgelopen jaar geregeld boven de 3 procent. Vooral verse voedingsmiddelen en sommige diensten stegen sneller in prijs dan elders in Europa.
Lonen stijgen wel, maar lang niet altijd snel genoeg om die prijsstijgingen bij te benen. Tegelijkertijd is de woningmarkt in steden als Madrid, Barcelona, Málaga en Valencia inmiddels zo gespannen dat een betaalbare huur- of koopwoning voor veel huishoudens buiten bereik raakt.
Groei zonder welvaartswinst voor iedereen
Een belangrijk deel van de Spaanse groei komt simpelweg voort uit een groeiende bevolking. Meer inwoners betekent automatisch meer consumptie en een groter bruto binnenlands product, maar dat zegt weinig over of de gemiddelde Spanjaard er ook daadwerkelijk op vooruitgaat.
De economische groei komt bovendien niet bij iedereen terecht. Huiseigenaren zagen de waarde van hun woning de afgelopen jaren sterk stijgen, terwijl ondernemers in toerisme, horeca en dienstverlening profiteren van de recordaantallen bezoekers. Voor huurders, starters en huishoudens met lagere inkomens pakt dezelfde economische ontwikkeling vaak minder gunstig uit.
Het Internationaal Monetair Fonds wees daar vorig jaar al op. Het concludeerde dat de Spaanse economie als geheel sterk groeit, maar dat het bbp per hoofd van de bevolking veel minder hard stijgt. Dat cijfer geeft een veel realistischer beeld van de welvaart van een gemiddelde inwoner, en daar valt de groei een stuk minder indrukwekkend uit.
Productiviteit blijft volgens het IMF de achilleshiel van de Spaanse economie: het land groeit vooral door meer te werken en meer mensen aan het werk te krijgen, niet doordat elke werknemer meer waarde produceert. Dat verklaart waarom economen en internationale instellingen enthousiast kunnen zijn over de Spaanse economie, terwijl veel inwoners diezelfde economische bloei nauwelijks herkennen in hun dagelijks leven.
Jongeren blijven achter
Nergens wordt die kloof tussen macrocijfers en persoonlijke ervaring zo zichtbaar als bij jongeren. Spanje heeft nog altijd een van de hoogste jeugdwerkloosheidspercentages van Europa. Voor wie net van school komt, blijven een vast contract, een betaalbare woning en financiële onafhankelijkheid moeilijk haalbare doelen, ook al draait de economie als geheel op volle toeren.
Toerisme: motor en splijtzwam tegelijk
Toerisme blijft een belangrijke pijler onder de Spaanse groei en zorgt voor banen, investeringen en inkomsten in vrijwel elke regio. Maar de afhankelijkheid van deze sector roept ook steeds meer weerstand op. In populaire kustgebieden en grote steden verhoogt toeristische verhuur de druk op de toch al krappe woningmarkt, en maakt de sterke focus op toerisme de economie kwetsbaarder voor internationale schokken.
Wat betekent dit voor de verkiezingen van 2027
Sánchez heeft deze week in Brussel bevestigd dat er geen vervroegde verkiezingen komen: Spanje gaat pas in 2027 naar de stembus. Of de sterke economische cijfers ook politiek rendement opleveren voor de regering-Sánchez, is nog onzeker. De economie mag dan floreren, maar een reeks schandalen rond de regering zet zijn positie onder druk en vertroebelt het beeld dat hij op basis van de groeicijfers zou willen neerzetten. Veel zal afhangen van de vraag of huishoudens de komende maanden daadwerkelijk meer koopkracht ervaren en of de woningcrisis afneemt. Daarnaast speelt mee of de politieke onrust rond de regering tegen de verkiezingen is geluwd.
Twee Spanjes, één economie
Spanje wekt soms de indruk twee landen tegelijk te zijn: het land dat buitenlandse economen en internationale instellingen prijzen om zijn groeicijfers, en het land waar miljoenen inwoners moeite hebben de huur, de boodschappen en de energierekening te betalen.
Internationaal geldt Spanje als economisch voorbeeld, maar binnenlands draait het debat vrijwel volledig om wonen, koopkracht en de vraag wie nu eigenlijk profiteert van al die groei. Beide beelden zijn waar. De Spaanse economie groeit hard, maar de vruchten van die groei komen lang niet bij iedereen terecht.