Úbeda en Baeza: het Spanje waar veel reizigers aan voorbij rijden

Tussen historische pleinen, olijfoliemolens en eindeloze olijfgaarden

door Judith Goeree
Úbeda en Baeza

Wie door de provincie Jaén in Andalusië rijdt, ziet hoe de heuvels langzaam veranderen in een eindeloze zee van olijfbomen. Kilometerslang tekenen de grijsgroene bomen de het kenmerkende heuvellandschap, onderbroken door witte dorpen en hier en daar een kerktoren aan de horizon. Midden in dat decor liggen Úbeda en Baeza, twee historische steden waar de renaissance verrassend zichtbaar is gebleven in straten, pleinen en monumenten. Hun historische centra werden in 2003 opgenomen op de UNESCO-werelderfgoedlijst.

Veel reizigers rijden er op weg van Madrid naar Granada of Córdoba ongemerkt voorbij. Dat is jammer. Want juist hier, tussen de olijfgaarden van Jaén, liggen twee steden waar geschiedenis en dagelijks leven moeiteloos samenkomen. De charme zit niet alleen in de monumentale pleinen, statige paleizen en eeuwenoude kerken, maar ook in het dwalen door smalle straatjes, neerstrijken op een terras en uitkijken over de olijfgaarden die het landschap al eeuwen bepalen.

Twee steden, één gouden eeuw

Úbeda en Baeza
eigen beeld – inspanje.nl

Na de christelijke herovering door koning Ferdinand III van Castilië in de dertiende eeuw veranderde het gezicht van Úbeda en Baeza ingrijpend. Beide steden groeiden uit tot belangrijke bestuurlijke en religieuze centra in het grensgebied tussen christelijk en islamitisch Spanje. Edellieden, geestelijken en bestuurders lieten er kerken, paleizen en openbare gebouwen bouwen, waarvan veel nog altijd het stadsbeeld bepalen.

Architect Andrés de Vandelvira drukte daarbij een blijvende stempel op beide steden. Zijn ontwerpen zouden later zelfs invloed uitoefenen op de architectuur in delen van Latijns-Amerika. Toch hebben de twee steden elk hun eigen karakter behouden. Úbeda voelt monumentaal en aristocratisch. Baeza juist ingetogen en beschouwend.

Úbeda: grandeur achter iedere straathoek

Úbeda laat zich het best te voet ontdekken. Achter vrijwel iedere straathoek duikt een renaissancepaleis, kerk of statig herenhuis op. Vroeg of laat kom je uit op de Plaza Vázquez de Molina, het indrukwekkende plein dat wordt omringd door paleizen, kerken en voormalige bestuursgebouwen. Vooral in de late namiddag, wanneer het zonlicht de zandkleurige gevels goud laat oplichten, komt de architectuur volledig tot leven.

Aan hetzelfde plein staat de Sacra Capilla del Salvador, de grafkapel die Francisco de los Cobos liet bouwen nadat hij opklom tot een van de machtigste mannen aan het hof van keizer Karel V. Het gebouw geldt als een van de bekendste werken van Andrés de Vandelvira en vormt een van de blikvangers van de stad.

Wie verder wandelt richting het Hospital de Santiago ontdekt een ander gezicht van Úbeda. Dit voormalige ziekenhuis uit de zestiende eeuw heeft de uitstraling van een paleis en wordt tegenwoordig gebruikt voor tentoonstellingen, concerten en culturele activiteiten. De route ernaartoe voert langs rustige straatjes, bloemrijke binnenplaatsen en kleine werkplaatsen waar nog altijd keramiek wordt gemaakt volgens eeuwenoude tradities.

Toch zit de charme van Úbeda niet alleen in de monumenten. Op een terras aan de Plaza Primero de Mayo of in een van de smalle straatjes van het historische centrum lijkt niemand haast te hebben. Terwijl de zon langzaam langs de zandkleurige gevels schuift, vullen de terrassen zich met bewoners die bijpraten onder het genot van een koffie, een glas wijn of een aperitief.

Baeza: een stad die uitnodigt tot vertragen

Waar Úbeda indruk maakt met haar statige uitstraling, voelt Baeza kleiner, rustiger en intiemer.

Het hart van Baeza is Plaza Santa María. Hier vormt de kathedraal het middelpunt van een levendig plein waar bewoners elkaar ontmoeten voor een kop koffie of een praatje.

Niet ver daarvandaan ligt het voormalige universiteitsgebouw. Begin twintigste eeuw was hier ook een middelbare school gevestigd, waar dichter Antonio Machado tussen 1912 en 1919 lesgaf als docent Frans. Zijn klaslokaal is vrijwel onveranderd gebleven en geeft een verrassend inkijkje in het dagelijks leven van ruim een eeuw geleden.

Wie verder wandelt, komt uiteindelijk uit bij de Paseo de las Murallas. Vanaf deze promenade langs de oude stadsmuren ontvouwt zich een uitzicht over de Guadalquivir-vallei en de eindeloze olijfgaarden die de streek kenmerken.

Tegen de avond verandert Baeza langzaam van kleur. Terwijl het licht zachter wordt, schuiven bewoners aan op de terrassen en klinkt uit openstaande ramen het geluid van gesprekken en rinkelend bestek. Het is het moment waarop de stad haar rustige karakter het duidelijkst laat zien.

Een zee van olijfbomen

Buiten de historische centra van Úbeda en Baeza ligt de andere grote schat van de provincie Jaén. Miljoenen olijfbomen bedekken de heuvels rond de twee steden en bepalen al generaties lang het ritme van het dagelijks leven. Vanuit uitkijkpunten rond beide steden lijkt het landschap soms op een eindeloos grijsgroen tapijt dat zich uitstrekt tot aan de horizon.

In de provincie Jaén hoef je dan ook niet lang op zoek naar het groene goud. In vrijwel ieder restaurant verschijnt er al snel een fles lokale extra vierge olijfolie op tafel, vaak nog voordat de bestelling is opgenomen. Het dippen van een stuk brood in de goudgroene olie is hier net zo vanzelfsprekend als een glas water bij de lunch.

Die olie is meestal afkomstig van de Picual-olijf, de meest verbouwde olijfsoort van de provincie Jaén. De krachtige, fruitige smaak en licht pikante afdronk maken haar tot het visitekaartje van de streek. Voor veel bezoekers is een proeverij van verschillende lokale olijfoliën dan ook een verrassende kennismaking met een product dat hier een onderdeel is van de regionale identiteit.

Op bezoek bij een olijfoliemolen

Wie de streek echt wil begrijpen, doet er goed aan ook buiten de historische centra te kijken.

Rond Baeza zijn verschillende almazaras, olijfoliemolens, te bezoeken waar bezoekers een inkijkje krijgen in het volledige proces, van de oogst van de olijven tot het persen, filteren en bottelen van de olie. Een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in gastronomie, lokale tradities of simpelweg wil begrijpen waarom olijfolie zo’n belangrijke rol speelt in het dagelijks leven van deze streek.

Tijdens een rondleiding leer je hoe de kwaliteit van olijfolie wordt beoordeeld, waarom de Picual-olijf zo bepalend is voor de identiteit van de provincie Jaén en welke aroma’s kenners proberen te herkennen. Vers gemaaid gras, tomatenblad, amandel of artisjok zijn slechts enkele van de smaken die tijdens een proeverij ter sprake kunnen komen.

De meest levendige periode om een olijfoliemolen te bezoeken is tijdens de oogsttijd van november tot januari. Dan worden de geoogste olijven aangevoerd en draaien de installaties op volle capaciteit.

Van olijfgaarden naar berglandschappen

Wie meer tijd heeft, kan een bezoek aan Úbeda en Baeza combineren met een uitstapje naar het natuurpark Sierras de Cazorla, Segura y Las Villas.

Het contrast met de olijfvlaktes is groot. Waar rond Úbeda en Baeza de olijfbomen de horizon bepalen, maken ze verderop plaats voor beboste berghellingen, kloven en stuwmeren. Wandelaars, fietsers en natuurliefhebbers vinden er volop routes door een van de meest gevarieerde natuurgebieden van Andalusië.

Juist die combinatie van cultuur en natuur maakt de regio rond Úbeda en Baeza aantrekkelijk voor een meerdaagse reis.

De charme van het langzame Andalusië

Úbeda en Baeza hebben geen wereldberoemde trekpleisters zoals het Alhambra in Granada of de Mezquita van Córdoba. Wel vind je er twee compacte historische centra die zich uitstekend te voet laten verkennen, pleinen waar je tussen het wandelen door kunt neerstrijken voor een lunch of een drankje, en uitstekende olijfolie die in de lokale keuken overal aanwezig is. Voor wie liever rondloopt dan in de rij staat, is dat precies de aantrekkingskracht.

Een dag volstaat om de belangrijkste plekken te zien. Wie de tijd heeft, blijft beter een nacht. Overdag trekken regelmatig groepen bezoekers door de straten, maar tegen de avond wordt het merkbaar rustiger en komen de pleinen weer in handen van bewoners en reizigers die zijn blijven hangen.

Het seizoen maakt daarbij een groot verschil. In juli en augustus kan het in deze binnenlandstreek aanzienlijk warmer worden dan aan de Andalusische kust. Het voorjaar en najaar zijn aangenamer om er te vertoeven. Wie tussen november en januari komt, maakt bovendien de olijvenoogst mee, wanneer de streek op volle toeren draait en de olijfoliemolens het drukst zijn.