Terwijl de spanningen in het Midden-Oosten blijven voortduren en de kerosinetoevoer naar Europa stokt, blijkt één land opvallend stevig in zijn schoenen te staan: Spanje. Met acht raffinaderijen, toegang tot Atlantische aanvoerroutes en strategische voorraden voor zo’n negentig dagen kerosineverbruik kan het land de eigen luchtvaartsector deze zomer blijven bevoorraden, zelfs als de import abrupt stilvalt. Dat maakt Spanje ineens een soort brandstofschuilplaats voor een continent dat nerveus naar zijn voorraden kijkt.
Terwijl andere Europese landen zich afvragen hoe lang hun voorraden nog meegaan, benadrukt Madrid keer op keer dat de situatie ‘robuust’ en zelfs ‘geprivilegieerd’ is. Dankzij acht raffinaderijen wordt ongeveer 80 procent van de kerosine die Spanje verbruikt in eigen land geproduceerd. De rest komt binnen via diverse importstromen.
Tel daarbij de verplichte strategische reserves op en er is een buffer van ruwweg drie maanden. Dat is genoeg om het zomerseizoen door te komen als de toevoer morgen zou stilvallen. Staatssecretaris voor Energie Joan Groizard vatte het onlangs rustig samen: de kerosinelevering is gegarandeerd en de contracten met leveranciers lopen zonder incidenten door.
Die woorden blijven in de sector niet onopgemerkt. Europese luchtvaartmaatschappijen en internationale energiebedrijven kloppen de laatste weken steeds vaker aan in Spanje. Ze willen precies uitzoeken hoeveel raffinagecapaciteit en hoeveel opslagruimte er in het land beschikbaar is. Het is duidelijk dat hier de tanks aantoonbaar beter gevuld zijn dan in andere delen van Europa.
Brussel denkt hardop na over energiesolidariteit
De bezorgdheid reikt intussen tot in Brussel. Daar werkt de Europese Commissie al aan scenario’s voor ‘energiesolidariteitsmechanismen’: afspraken waarmee landen met relatief veel raffinagecapaciteit en voorraden, zoals Spanje, maar ook bijvoorbeeld Italië en Nederland, tijdelijk kunnen bijspringen als elders de brandstoftoevoer hapert. Men wil een Europese veiligheidsbuffer van kerosine opbouwen in tijden van geopolitieke stress.
Madrid wil daar in principe actief aan deelnemen. Wel benadrukt de regering de Spaanse markt voorrang te geven. Solidariteit met partners mag in hun visie niet betekenen dat de eigen luchtvaart stilvalt. Het tweede meestbezochte land van Europa wil wel dat toeristen deze zomer op hun vakantiebestemming aankomen.
Het tankering-debat is terug
In dit klimaat duikt ook een oude discussie weer op: tankering. Dat is de praktijk waarbij vliegtuigen meer brandstof meenemen dan strikt noodzakelijk. Dan hoeven ze onderweg niet te tanken op een duurder of onzeker vliegveld. De Europese ReFuelEU‑regelgeving is juist ontworpen om dat verschijnsel te beperken: maatschappijen zijn verplicht om op jaarbasis minstens 90 procent van de benodigde brandstof op een bepaalde luchthaven zelf in te nemen, berekend op trip fuel plus taxi fuel. Dat moet voorkomen dat toestellen met extra gewicht rondvliegen en daarmee extra uitstoot veroorzaken, alleen maar om prijsverschillen of bevoorradingsrisico’s te omzeilen.
Nu gaat in theorie een deur open voor maatschappijen die liever maximaal volgetankt vertrekken vanuit Málaga, Madrid of Barcelona dan het risico lopen in Midden- of Oost-Europa met lege tanks te staan. Vooralsnog meldt de Spaanse luchtvaartkoepel ALA dat er op Spaanse luchthavens geen opvallende toename van tankering wordt gesignaleerd, al kijkt de sector nauwlettend naar de zomerpiek.
Klimaatambities versus leveringszekerheid
Die veiligheidslogica schuurt met de klimaatambities van de EU. ReFuelEU moet er niet alleen voor zorgen dat tankering wordt ontmoedigd, maar vooral dat duurzame brandstoffen stap voor stap worden bijgemengd op alle Europese luchthavens. De verplichte SAF‑bijmenging begint met een klein percentage. Richting 2030 en 2050 loopt dit echter snel op, en geldt voor de hele Unie, niet alleen voor een paar grote hubs.
In een crisisscenario waarin landen terugvallen op nationale voorraden en uitzonderingen op de tankeringsregels, komt die netjes uitgestippelde route naar schonere luchtvaart plots in botsing met de reflex om vooral geen toestellen aan de grond te zetten.
Voor Spanje betekent dit een extra spagaat. Het land presenteert zich aan de ene kant graag als pionier in energietransitie, met ambities rond hernieuwbare energie en toekomstige productie van synthetische kerosine. Aan de andere kant levert juist de bestaande fossiele raffinagecapaciteit nu een groot deel van de politieke en economische macht op waar de rest van Europa op rekent. De vraag is niet alleen of de tanks vol genoeg zijn, maar ook welke soort brandstof er in de toekomst uit die Spaanse pijpleidingen moet stromen.
Madrid houdt de hand op de knip
Ondertussen is Madrid niet van plan om zomaar als onuitputtelijke Europese brandstoftap te fungeren. Energieminister Sara Aagesen benadrukte in april dat de voorraden van kerosine, diesel en benzine ‘op dit moment niet in gevaar zijn’ en dat Spanje zich in een bevoorrechte positie bevindt vergeleken met buurlanden die veel afhankelijker zijn van import. Maar ze voegde er ook aan toe dat elke vorm van solidariteit met partners gebonden is aan één harde voorwaarde: de bevoorrading van de Spaanse markt mag niet in het gedrang komen.
Hoe dat evenwicht tussen nationale zekerheid en Europese solidariteit er concreet uit gaat zien als de spanningen in en rond het Midden‑Oosten verder escaleren, hangt af van ontwikkelingen die geen enkele regering volledig in de hand heeft. Eén ding staat wel vast: zolang de onrust rond brandstofaanvoer aanhoudt, blijft Spanje naast een zonnige vakantiebestemming ook de brandstofschuilplaats waar half Europa stilletjes op rekent.