- Meer dan 3.000 lokale zaden worden bewaard in Galicië.
- Maar alleen zaden bewaren is niet genoeg: inzet en budget hard nodig.
- Boeren en chefs brengen oude rassen opnieuw tot leven in de moestuin en op het bord.
- Dankzij lokale samenwerking meer zicht op voedselzekerheid in de toekomst.
In een koelruimte net buiten Pontevedra staan duizenden potjes met zaden die uit de Galicische landbouw zijn verdwenen. Het gaat om meer dan 3.000 lokale variëteiten van granen en peulvruchten, verzameld door de Misión Biológica de Galicia. Dit is geen zadenmuseum, maar een werkbank voor de toekomst: onderzoekers willen dat boeren en tuinders deze rassen weer gaan telen, zodat ze bestand blijven tegen ziekten, plagen en een warmer klimaat.
Van potjes in de koelcel naar het veld
Een van die zaden is de Bágoa Atlantic-erwt. Het zaadje is klein en wit, en ligt gekoeld opgeslagen bij vier graden en een gecontroleerde luchtvochtigheid. Het is bedoeld als genetische reserve, een vangnet voor later. In de opslag staan rijen potten met zaden in alle vormen en kleuren. Die diversiteit is niet alleen mooi om te zien, maar ook functioneel. “Hoe meer variatie, hoe beter,” is de boodschap van de onderzoekers. Uniformiteit maakt de landbouw kwetsbaar, juist wanneer omstandigheden veranderen.
Die gedachte is niet altijd vanzelfsprekend geweest. De Misión Biológica de Galicia werd in 1921 opgericht om landbouwgewassen te moderniseren en productiever te maken. Dat betekende lange tijd vooral standaardiseren. Maar eind jaren zeventig groeide het besef dat een landbouw die te sterk leunt op enkele rassen grote risico’s loopt. De Ierse aardappelcrisis in de negentiende eeuw is het klassieke voorbeeld: één ziekteverwekker, één dominante variëteit, en een complete oogst die verloren gaat.
Daarom begon de Misión vanaf de jaren zeventig oude rassen te verzamelen bij boeren die ze nog bewaarden. Die genetische diversiteit kan later helpen om gewassen te ontwikkelen die beter bestand zijn tegen bacteriën, schimmels, plagen of extreme weersomstandigheden. En het biedt ook een vorm van voedselzekerheid in tijden van crisis. Als een ras wegvalt, kan een ander het overnemen.
Een zadenbank die vooral “uitgeleend” wil worden
Niet alles blijft in Pontevreda voor altijd in opslag. De Misión ziet haar collectie als een bibliotheek, niet als een archief. Zaden mogen ook gebruikt worden. Onderzoekers werken daarom samen met boeren en tuinders om oude rassen weer te laten groeien, zodat ze niet alleen als zaadmonster in een potje blijven bestaan, maar ook echt terugkeren op het land.
Dat gebeurt bijvoorbeeld in Cotobade, op korte afstand van Pontevedra. Daar teelt boer Antonio Cavada de Bágoa-erwt opnieuw. Hij stapte acht jaar geleden zonder ervaring in de landbouw, naast zijn werk in het bedrijfsleven. Wat begon als een eigen project groeide uit tot een moestuin met een enorme rijkdom aan oude en lokale soorten. Cavada werkt biodynamisch, zonder chemische middelen, met natuurlijke preparaten en volgens een teeltwijze waarin zaden winnen en opnieuw uitzaaien centraal staat.
Zijn tuin is een proeftuin voor vergeten smaken, maar ook een lastig economisch verhaal. Veel traditionele rassen zijn kwetsbaar. Sommige tomaten barsten bij regen omdat de schil niet meegroeit. Witte Galicische aardbeien zijn zo fragiel dat transport bijna onmogelijk is, en de teelt vraagt tijd. Toch zijn het juist deze rassen die volgens Cavada de kwaliteit en eigenheid van de streek zichtbaar maken. Voor hem zijn zaden een wezenlijk erfgoed, zoals taal en literatuur bescherming verdienen, geldt dat ook voor gewassen die het landschap hebben gevormd.
Chefs en onderzoekers sluiten de cirkel
Die gedachte leeft ook in de gastronomie. Chef Javier Olleros van het restaurant Culler de Pau zocht contact met de Misión om lokale ingrediënten te herontdekken. Hij wilde begrijpen wat Galicië culinair uniek maakt, en vond in de samenwerking met onderzoekers een nieuwe ingang. Olleros kende een beroemde Baskische erwt, klein, zoet en sappig, bekend als ‘groene kaviaar’, en vroeg zich af of Galicië een vergelijkbare variëteit had. In de collectie van de Misión bleek zo’n lokale erwt aanwezig.
Na dat succes ontstonden nieuwe projecten, samen met boeren zoals Cavada. Olleros noemt het een vorm van weerstand tegen de macht van grote zaadbedrijven. Volgens hem is het risico groot als landbouw en keuken afhankelijk worden van een klein aantal commerciële rassen, vaak gekoppeld aan chemische middelen. In zadenbanken ziet hij niet alleen plantmateriaal, maar ook verhalen over mensen die generaties lang rassen hebben aangepast aan hun grond en klimaat.
De terugkeer van de Galicische zwarte haver
Een ander voorbeeld is de avea moura, een zwarte haver uit Galicië. Onderzoeker Bernardo Ordás raakte gefascineerd door beschrijvingen van deze haver in oude wetenschappelijke literatuur. Zijn speurwerk wees uit dat het ras zijn oorsprong in Galicië heeft en later door Vikingen verder Europa in werd verspreid. Ordás vond het opvallend dat een graan met zoveel voordelen, rijk aan antioxidanten, resistent tegen kou en ziektes, en nauwelijks afhankelijk van pesticiden, bijna volledig uit de teelt verdween.
De oorzaak ligt vooral in de jaren tachtig, toen het platteland veranderde en veel landbouwgrond werd verlaten. Ordás zoekt daarom bewust de stap naar buiten het lab. Hij wil dat producenten de teelt opnieuw oppakken, dat er afzet ontstaat en dat het gewas weer onderdeel wordt van het dagelijks leven. Die beweging is al in gang gezet. Culler de Pau werkt met de haver in fermenten en zuivel, terwijl een Galicische producent van plattelandscosmetica het graan gebruikt in verzorgingsproducten, samen met andere lokale plantenextracten.
Madrid en Svalbard als laatste vangnet
Hoewel de Misión veel zaden actief inzet, bestaat er ook een nationale ‘kluis’. In Madrid bewaart het Centro Nacional de Recursos Fitogenéticos (CRF) duplicaten van collecties uit heel Spanje. Daar worden zaden gedroogd tot een laag vochtgehalte, luchtdicht verpakt en opgeslagen bij -18 graden. Onder die omstandigheden kunnen ze tientallen jaren, en in sommige gevallen zelfs een eeuw, levensvatbaar blijven.
Sommige monsters reizen ook door naar de Wereldzadenbank op Svalbard in Noorwegen, waar een internationale reserve wordt aangelegd. Spanje heeft daar ongeveer 1.200 monsters liggen. Volgens CRF-directeur Luis Guasch is dat te weinig, zeker gezien de biodiversiteit van het land. Hij wijst erop dat landen met een kleinere biodiversiteit vaak een groter deel van hun collecties laten dupliceren.
Het echte risico: geldgebrek en verwaarlozing
De kwetsbaarheid voor zaden zit niet alleen in klimaat, ziekten of oorlog. Het probleem is ook bestuurlijk. Sinds 2017 is er geen vaste nationale begrotingspost meer voor de zadenbanken in het netwerk, waardoor centra zichzelf moeten redden. Dat is riskant, omdat zaden niet automatisch ‘goed blijven’. Ze moeten gecontroleerd worden, getest op kiemkracht en soms opnieuw opgekweekt om de collectie levend te houden. Dat kost geld, mensen en tijd.
De zadenbank in Galicië laat desalniettemin zien hoe dicht landbouw, erfgoed en wetenschap bij elkaar liggen. In een klein potje zit niet alleen een toekomstig gewas, maar ook stukje bewijs van de geschiedenis van bodem, klimaat en kennis. Wie die zaden niet actief onderhoudt, verliest meer dan een plant. Dan verdwijnt een stuk van het landschap voorgoed.
Is pistache het nieuwe ´groene goud´ van Spanje?