Noem ze heldinnen, bijzondere vrouwen of sterke vrouwen: de Spaanse geschiedenis kent er genoeg. Veel van deze vrouwen vind je nauwelijks terug in de geschiedenisboeken. María Pacheco was zo’n vrouw. Als vrouw van adel en echtgenote van een militair leider leek haar leven al vroeg uitgestippeld. Maar na de dood van haar man nam María zelf het heft in handen: ze nam de leiding over de opstand in Toledo. De stad hield het maandenlang vol en zij werd het boegbeeld van het Castiliaanse verzet.
In het kort
- María Pacheco groeide op in het Alhambra in Granada en trouwde al op haar vijftiende met Juan de Padilla.
- Haar man werd een van de leiders van de Opstand van de Comuneros en werd na de nederlaag bij Villalar in 1521 onthoofd.
- In plaats van zich terug te trekken, nam María daarna zelf de leiding over het verzet in Toledo.
- Vanuit het Alcázar regelde ze troepen, wapens en geld en wist ze de stad nog maandenlang in verzet te houden.
- Haar strijd eindigde in ballingschap. María vluchtte naar Portugal, waar ze in 1531 overleed zonder ooit naar Spanje te zijn teruggekeerd.
De Spaanse geschiedenis zit vol verhalen van vrouwen die hun tijd vooruit waren. Zo speelden Clara Campoamor en Victoria Kent, weliswaar pas eeuwen later, een belangrijke rol in de strijd voor vrouwenrechten. En María Zambrano was een van de belangrijkste Spaanse denkers van de twintigste eeuw. María Pacheco leefde in een totaal andere tijd, maar ook zij liet zich niet zomaar de rol voorschrijven die voor haar was bedacht.
De beginjaren van María Pacheco
María López de Mendoza y Pacheco werd rond 1496 geboren in Granada. Ze was het zevende kind uit een gegoede adellijke familie en groeide op in het Alhambra. Haar vader, Íñigo López de Mendoza, bekleedde een hoge militaire en bestuurlijke functie in Granada en woonde daarom met zijn gezin in het paleis.
Al op haar vijftiende stapte María in het huwelijksbootje met Juan de Padilla, een edelman uit Toledo. Zo’n jong huwelijk was in die tijd onder meisjes van adel niet ongebruikelijk. Huwelijken dienden vaak om familiebelangen, bezit en politieke banden veilig te stellen.
Merkwaardig was de keuze voor Padilla wel. Hoewel hij uit een vooraanstaande familie in Toledo kwam, stond hij maatschappelijk een stuk lager op de ladder dan María. Enkele jaren later, in 1518, verhuisde het stel naar Toledo. Vanaf dat moment zou de stad een belangrijke rol in haar leven spelen.
La Leona de Castilla
Pacheco roept vaak associaties op met haar bijnaam ‘La Leona de Castilla’, de Leeuwin van Castilië. Die geuzennaam kreeg ze pas eeuwen na haar dood, toen de Spaanse dichter en toneelschrijver Francisco Villaespesa aan het begin van de twintigste eeuw het toneelstuk La Leona de Castilla schreef.
Haar verhaal bereikte pas echt het grote publiek toen Juan de Orduña in 1951 het toneelstuk verfilmde. De recensies waren niet zo best, maar het publiek trok zich daar weinig van aan, want de film bleef maar liefst 63 dagen achter elkaar in de bioscoop draaien. De film neemt het overigens niet overal even nauw met de werkelijke geschiedenis. Haar verzet was wel degelijk echt, maar haar levensverhaal werd voor het witte doek flink geromantiseerd.
De opstand van de Comuneros
Aan het begin van de zestiende eeuw groeide in Castilië de onvrede over de jonge koning Karel I, de latere keizer Karel V. De in Vlaanderen opgegroeide koning omringde zich met buitenlandse adviseurs en vroeg Castilië om geld voor zijn Europese ambities. In verschillende steden, waaronder Toledo, Segovia en Valladolid, leidde die onvrede uiteindelijk tot de Opstand van de Comuneros.
Ook María’s echtgenoot, Juan de Padilla, sloot zich hier bij aan. Hij werd een van de leiders van de opstand. Terwijl hij met zijn troepen door Castilië trok, bleef María achter in Toledo. Daar raakte ook zij steeds meer betrokken bij het bestuur van de stad en de opstand.
Op 23 april 1521 leden de Comuneros een zware en beslissende nederlaag tijdens de Slag bij Villalar. Padilla werd samen met twee andere leiders, Juan Bravo en Francisco Maldonado, gevangengenomen. Een dag later werden de drie onthoofd.
Meer weten over de Comuneros?
De Spaanse documentaire Comuneros (2022) vertelt aan de hand van historici en animaties het verhaal achter de opstand tegen Karel.
María zet het verzet voort in Toledo
María werd ziek toen ze hoorde van de nederlaag en de executies. Ze kleedde zich in rouw. Daarmee leek de opstand voorbij, maar María besloot niet op te geven. Ze nam de verdediging van de stad op zich en vanaf dat moment werd ze de drijvende kracht achter het verzet.
Eerst deed ze dat vanuit haar eigen huis en later vanuit het Alcázar van Toledo. Zo liet ze de stadspoorten bewaken, artillerie naar Toledo halen en benoemde ze nieuwe kapiteins in het leger. Ook hief ze belastingen om de troepen te kunnen betalen. Toen het geld opraakte, liet ze zelfs zilver uit de kathedraal halen. En toen de onrust onder de inwoners toenam, liet ze de kanonnen van het Alcázar op de stad richten om de orde te bewaren.
Toledo hield nog maandenlang stand. María had daarbij lang niet iedereen achter zich. Binnen de stad groeide de weerstand tegen haar harde koers. Ze weigerde echter over te geven. Ondertussen werd er onderhandeld over een einde aan de strijd, waarbij María een belangrijke rol had.
In oktober 1521 kwam er een wapenstilstand, maar begin februari 1522 laaide de opstand opnieuw op. María en haar aanhangers namen het Alcázar weer in, maar dit keer maakten de troepen van de koning snel een einde aan het verzet.
Ballingschap
In februari 1522 moest Pacheco uiteindelijk vluchten. Verkleed als boerin wist ze samen met haar jonge zoontje ’s nachts uit Toledo te ontsnappen. Uiteindelijk kwam ze terecht in Portugal, waar ze de rest van haar leven in ballingschap doorbracht.
Karel I sloot haar uit van de algemene gratie voor de Comuneros en in 1524 werd ze bij verstek ter dood veroordeeld. Haar familie, en met name haar broers, probeerden nog gratie voor haar te krijgen, maar zonder succes. María keerde nooit meer terug naar Spanje. Ze overleed in 1531 in Porto en werd daar begraven in de kathedraal.
De erfenis van María
María was een toonbeeld van moed en vastberadenheid. En dat in een tijd waarin vrouwen nauwelijks politieke macht hadden. Haar strijd om Toledo verloor ze uiteindelijk, maar helemaal verdwijnen deed ze nooit. Haar maandenlange verzet maakte haar tot een van de bekendste namen uit de Opstand van de Comuneros. Dat een vrouw in het begin van de zestiende eeuw zelf de leiding nam, troepen aanstuurde en zich openlijk tegen de koning verzette, was allesbehalve vanzelfsprekend.
Ook in Toledo vind je María nog terug en zijn er straatnamen en een standbeeld van haar te vinden. De Comuneros worden bovendien ieder jaar op 23 april herdacht, de dag waarop in 1521 de Slag bij Villalar plaatsvond. Die datum is tegenwoordig de officiële feestdag van Castilië en León.
Vergeten vrouwen onder Franco: Spaanse heldinnen